Afbeelding

De uitgebrande camping Le Brasilia in Frankrijk.

De op 2 juli 2026 uitgebrande camping Le Brasilia in Canet-en-Roussillon, Frankrijk. Foto: Aurelio Cárdenas. 

/ analyse

Nieuw tijdperk: waarom politici en toezichthouders botsen

Het is een grote mentale omslag, vooral in intellectuele en institutionele zin. Dat is het feit dat de natuur steeds minder wordt gezien als iets dat buiten de economie staat en vice versa. Sterker nog: het wordt met de dag duidelijker dat de natuur het fundament is waar productiviteit, kasstromen, maar ook onderpand en financiële stabiliteit, op rusten. Deel 2 in een tweeluik over het nieuwe narratief. 

De bovengenoemde mentale omslag is inmiddels zichtbaar in het financiële toezicht. Waar natuurverlies enkele jaren geleden vooral werd behandeld als een vraagstuk van duurzaamheid of reputatie, spreken centrale banken en toezichthouders steeds nadrukkelijker over kredietrisico, marktverlies, waardedaling van onderpand en systeemrisico. 

Sinds topman Pablo Hernández de Cos van de Bank voor Internationale Betalingen (BIS) op 4 maart 2026 zijn toespraak hield, is die ontwikkeling in een stroomversnelling geraakt: de aandacht verschuift van de vraag óf natuur financieel relevant is naar de vraag hoe instellingen die kwetsbaarheid moeten meten en beheersen.

Belangrijk tegen die achtergrond was ook de bijeenkomst op 9 april, toen het Network for Greening the Financial System (NGFS) een pakket met praktische hulpmiddelen publiceerde. Daarin beschrijft dit netwerk van centrale banken en toezichthouders hoe aantasting van water, bodem en ecosystemen via bedrijven en huishoudens kan doorwerken naar het financiële stelsel. 

Wisselwerking klimaat - economie 

Met behulp van gegevensverzameling, scenarioanalyses en toezicht wordt natuurrisico in feite naast rente-, krediet- en liquiditeitsrisico geplaatst. Tegelijk erkent het NGFS dat modellen nog onvolledig zijn en dat vooral goede, locatiegerichte gegevens en een beter begrip van de wisselwerking tussen klimaat, natuur en economie ontbreken - en hoogst nodig zijn.

De Europese Centrale Bank ziet dezelfde beweging bij de banken waarop zij toezicht houdt. In 2022 had bijna 40 procent van de banken nog geen duidelijke aanpak voor natuurgerelateerde risico’s. Begin 2026 beschikte ongeveer 75 procent van hen over kwantitatieve methoden om de materialiteit ervan te beoordelen. Maar uitvoering blijkt in de praktijk nog een grote uitdaging te zijn. 

Zo koppelt volgens de ECB ongeveer twee derde van de banken de uitkomsten nog niet systematisch aan kredietbeleid, risicolimieten of andere managementmaatregelen. Slechts enkele instellingen gebruiken concrete indicatoren die daadwerkelijk tot ingrijpen leiden. Het bewustzijn is dus groot, maar de operationele voorbereiding blijft achter.

Natuurverlies wordt gaandeweg beprijsd

Ook op de kredietmarkt verschijnen de eerste aanwijzingen dat natuurverlies wordt beprijsd. ECB-onderzoek naar syndicaatsleningen laat zien dat ondernemingen met een groter biodiversiteitsrisico gemiddeld hogere renteopslagen betalen. Banken lijken het risico vooralsnog vooral in de prijs van financiering te verwerken en minder door de hoeveelheid krediet te beperken. Dat is een belangrijke stap: biodiversiteit verschijnt niet langer uitsluitend in duurzaamheidsverslagen, maar begint nu ook invloed te krijgen op de kapitaalkosten van ondernemingen. Van volledige prijsstelling is echter nog geen sprake. Vooral risico’s die moeilijk te meten zijn, geografisch verspreid of pas op langere termijn zichtbaar zijn, verdwijnen nu nog gemakkelijk uit beeld.

Bovendien reiken de financiële gevolgen van natuurschade verder dan direct getroffen bezittingen. Een ECB-studie naar de Portugese bosbranden van 2017 toont dat hotels met directe brandschade het jaar daarop gemiddeld 43 procent omzet verloren. Ook nabijgelegen hotels zonder directe schade werden geraakt: bij veel verbrand gebied binnen een straal van één kilometer daalde de omzet gemiddeld 24 procent. Deze ondernemingen investeerden vervolgens minder en teerden in op hun kasmiddelen. Voor beleggers en financiers is dat een waarschuwing. Een onderneming hoeft zelf niet in brand te staan om financieel te worden getroffen; ook het wegvallen van toerisme, infrastructuur, leveranciers, werknemers of landschapskwaliteit kan de kasstroom aantasten.

De Nederlandsche Bank probeert deze keten inmiddels expliciet te kwantificeren. In een in april gepubliceerde stresstest wordt een natuurschok, zoals waterschaarste, vertaald naar economische schade bij ondernemingen, hogere wanbetalingskansen en vervolgens krediet- en marktverliezen bij banken en verzekeraars. Die verliezen kunnen uiteindelijk worden doorgerekend naar marktwaarderingen en prudentiële ratio’s. Daarmee verliest het argument aan kracht dat natuurrisico te complex zou zijn om te berekenen. De uitkomst is niet exact, maar kan wel laten zien welke instellingen, sectoren en regio’s onder realistische scenario’s het kwetsbaarst zijn.

Tegelijk groeit de internationale verslaggeving. Zo werkt de International Sustainability Standards Board aan formele richtlijnen voor materiële natuurgerelateerde informatie, met veel aandacht voor bedrijfslocaties, waardeketens, afhankelijkheden van ecosysteemdiensten en scenarioanalyse. De ISSB benadrukt dat het rapporteren van materiële natuurrisico’s onder de bestaande IFRS-regels al niet meer vrijblijvend is. Daar staat een tegengestelde Europese beweging tegenover: de in juli herziene duurzaamheidsstandaarden verminderen het aantal verplichte datapunten met meer dan 60 procent. Doel is om de administratieve lasten voor ondernemingen te verlagen.

Werkelijk handelen staat op grote afstand

Zo ontstaat een spanning die het nieuwe tijdperk typeert. Toezichthouders en beleggers verlangen steeds preciezere informatie over de afhankelijkheid van bedrijven van water, bodem, biodiversiteit en stabiele ecosystemen, terwijl politiek en bedrijfsleven tegelijkertijd op vereenvoudiging van rapportages aandringen. Dat maakt de te trekken conclusie tot een dubbele. Natuurverlies is doorgedrongen tot het centrum van het financiële denken en begint zichtbaar te worden in toezicht, kredietprijzen en stresstesten. Maar tegenover dat erkennen en meten van de uitdagingen staat het werkelijk handelen nog op grote afstand. Juist in die kloof bevindt zich momenteel een van de belangrijkste financiële risico’s van onze tijd.

Grafiek

Het persbureau Reuters stelt op basis van interviews met 50 verzekeraars in de wereld dat de levensvatbaarheid op de lange(re) termijn van vangnetten, zoals door de staat gegarandeerde verzekeringen of rampenhulpmechanismen, ter discussie komt te staan vanwege toenemende begrotingsdruk.

Meer achtergronden: