Afbeelding
Edgar Morin. Bron: WikiCommons, 2015.
Edgar Morin. Bron: WikiCommons, 2015.
Verdrietig, dat is het feit dat de beladen term polycrisis al in 1993 werd gemunt, maar pas rond de coronacrisis van 2020 wereldwijde bekendheid kreeg. Die vertraging kon de mensheid zich — terugkijkend — helemaal niet veroorloven. Polycrisis betekent namelijk méér dan “veel problemen tegelijk”. Bij een polycrisis veroorzaken de interacties tussen de crises nieuwe effecten en kettingreacties.
De geestelijk vader van de polycrisis was Edgar Morin, de Fransman die vorige maand op 104-jarige leeftijd is overleden. Hij publiceerde in 1993 publiceerde het boek Terre-Patrie (later in het Engels vertaald als Homeland Earth). Daarin legde hij samen met co-auteur Anne-Brigitte Kern uit dat het einde van de Koude Oorlog gepaard zou gaan met een versnelde globalisering, groeiende ecologische zorgen en economische instabiliteit. Zijn waarschuwing was dat mondiale systemen steeds meer met elkaar verweven zouden raken en elkaar in toenemende mate zouden beïnvloeden.
Volgens Morin kon je zulke problemen dan ook niet meer afzonderlijk analyseren of oplossen. Want het één hing met het andere samen, zoals dit voorbeeld laat zien:
klimaatverandering → misoogsten,
misoogsten → migratie en prijsstijgingen,
prijsstijgingen → politieke instabiliteit,
instabiliteit → verzwakking van internationale samenwerking,
waardoor klimaatbeleid weer moeilijker wordt.
Tegen de achtergrond van dergelijke voorbeelden richtte Morin zich in zijn werk op een breder filosofisch project rond pensée complexe, oftewel “complex denken”. Zo publiceerde hij in 1999 op verzoek van UNESCO het essay Seven Complex Lessons in Education for the Future. Daarin stelt hij dat óók ons onderwijs onvoldoende is voorbereid op een complexe, onderling verbonden en onvoorspelbare wereld.
Volgens hem staan vakken te veel los van elkaar, wordt kennis opgesplitst, overheersen specialisaties en leren leerlingen en studenten feiten zonder echt begrip van de samenhang te hebben. De oplossing voor die versnippering is wat Morin “complex denken” noemde: leren zien hoe dingen met elkaar verbonden zijn — zowel biologisch, cultureel, sociaal, economisch, ecologisch en politiek.
In zijn essay formuleerde hij zeven fundamentele “lessen” of inzichten die volgens hem centraal zouden moeten staan in het onderwijs.
De diepere rode draad in zijn essay — dat door de tijd heen invloedrijk is gebleven — is dat de werkelijkheid complex is en dat reductionisme (het idee dat alles oplosbaar is door te delen en te meten) tekortschiet. Volgens Morin verlies je dan juist wat menselijk en levend is. Onderwijs was in zijn opvatting niet alleen bedoeld als overdracht van kennis, maar vooral ook als vorming van bewustzijn.
Morin’s denken kreeg bredere politieke en maatschappelijke aandacht tijdens de coronacrisis van 2020, toen de Britse historicus Adam Tooze aandacht vroeg voor de polycrisis, waarvan de actualiteit dringend om reflectie vroeg.
Bij het overlijden van Morin werd opnieuw stilgestaan bij zijn werk. Daarbij werd benadrukt dat veel hedendaagse thema’s — desinformatie, polarisatie, klimaatcrises en AI-ethiek — opvallend goed passen bij Morin’s analyse dat mensen moeten leren omgaan met complexiteit en onzekerheid, in plaats van alleen in contact te worden gebracht met vaste antwoorden.
Kees Klomp, docent en transitiedeskundige, bespreekt deze week in een post op Linkedin een onderwerp aan dat indirect ook Morin’s visie raakt: het fenomeen agency in het onderwijs, wat verwijst naar handelingsbekwaamheid en/of eigen regie. Dat is het vermogen en de wil van studenten en leerlingen om doelgericht en reflectief hun eigen leerproces vorm te geven. Het is de mate waarin zij zelfstandig keuzes (kunnen) maken en invloed uitoefenen op hun omgeving om leerdoelen te bereiken
Klom onderscheidt daarbij drie vormen. De eerste is individuele agency: dat is het vermogen van individuen om zelfregie te nemen en hun levensbestaan actief vorm te geven.
De tweede is sociale agency: het vermogen om groepsregie te nemen, de krachten van individuen te bundelen en het levensbestaan gezamenlijk actief vorm te geven.
De derde is transformationele agency. Daarbij is iemand niet alleen in staat zichzelf en/of anderen binnen het bestaande levensbestaan te beïnvloeden, maar ook om het levensbestaan zelf te veranderen.
Klomp legt uit dat hij zich als programmamanager Agency bij de Hogeschool Windesheim concentreert op die derde, transformationele vorm van agency. Zijn opdracht is om methoden te ontwikkelen die de verandervaardigheid van de studenten versterken. Hij spreekt van agency als aarde- en/of wereldgerichte zelfregie: het vermogen om de aarde ten positieve te veranderen via het beroep of werkterrein. Voor hem is de aanstaande beroepsbeoefening dan ook hét transformationele middel.
Klomp stelt dat er echter sprake is van vier agency-obstakels zijn. Dat zijn redenen waarom mensen geen zelfregie nemen voor aarde of wereld.
De eerste is onwetendheid. Dat betekent dat het individu niet op de hoogte is van de polycrisis, oftewel van de problematiek in de wereld. Het ontbreekt hem of haar aan informatie.
Daarnaast noemt hij onwelwillendheid. Dat wil zeggen dat iemand wel op de hoogte is van de polycrisisproblematiek, maar niet bereid is om daaraan iets te veranderen.
Als derde noemt hij onbezorgdheid: het individu is wel op de hoogte van de polycrisisproblematiek, maar maakt zich daar persoonlijk geen zorgen over. Het ontbreekt aan urgentie.
Tot slot kan onbekwaamheid een reden zijn. Het individu is wel op de hoogte van de polycrisisproblematiek, maakt zich daar ook zorgen over en is bereid zich in te spannen om iets te veranderen, maar beschikt niet over de verandervaardigheden om dat daadwerkelijk te doen.
De vier verschillende agency-barrières waarvan Klomp spreekt, betitelt hij als onwetende, onwelwillende, onbezorgde en onbekwame studenten. ‘Op basis van mijn werkervaringen met studenten denk ik dat onbezorgdheid en onbekwaamheid de belangrijkste uitdagingen vormen. In mijn beleving zijn er anno 2026 nog maar weinig studenten die zich niet bewust zijn van de polycrisisproblematiek of daar totaal niet in geïnteresseerd zijn.’ Echte ontkenners zijn schaars, schrijft Klomp op LinkedIn.
Er zijn wel veel studenten die de maatschappelijke problemen erkennen, maar geloven dat die hen persoonlijk niet zullen raken. Deze studenten maken een scherp onderscheid tussen de grote wereld en hun eigen leefwereld. Dat is natuurlijk ook een vorm van coping, maar niet onlogisch: vooralsnog leven wij in een deel van de wereld dat niet écht lijdt onder de polycrisisproblematiek. Daarnaast zijn er veel studenten bij wie het ontbreekt aan handelingsperspectief. Zij weten en willen wel, maar voelen zich verander-onvaardig, concludeert Klomp.
Leestip: From Miserable Pedagogies to Anthropocene Intelligence for Universities in the Meta-Crisis
De uitleg van Kees Klomp bevestigt dat Edgar Morin een opmerkelijk voorspellende visie had toen hij sprak van een polycrisis en zich sterk maakte voor een meer holistische benadering van het onderwijs — niet gericht op meten en weten, maar op leren twijfelen, kritisch denken en reflecteren op de vraag hoe kennis ontstaat.
Gelet op het hoge percentage mentale problemen onder jongeren, laat Morin zien hoezeer hij het in zijn essay voor UNESCO bij het juiste eind had.
Het is, kortom, hoogste tijd om onderwijs diepgaand aan te passen, zoals Edgar Morin bepleitte - dat wil zeggen de mens centraal stellen en niet de machine wat in het opkomende tijdperk van kunstmatige intelligentie, algoritmen en bots geen sinecure is.
Inzet: Edgar Morin, 2024. Foto: Gérald Garitan / WikiCommons.
Wil je op de hoogte blijven van nieuwe analyses en opiniestukken, podcasts en boekentips? Schrijf je dan in voor de tweewekelijkse nieuwsbrief.