Afbeelding
Econoom Hans Stegeman. Foto: Triodos Bank.
Econoom Hans Stegeman. Foto: Triodos Bank.
Voor tanks, munitiefabrieken en militaire voorraden accepteren we dat efficiëntie niet het belangrijkste is. Veiligheid vereist buffers, overcapaciteit en miljardeninvesteringen waarvan de opbrengst niet direct zichtbaar is. Maar wanneer een verpleegkundige meer tijd nodig heeft voor een patiënt, een school kleinere klassen wil of natuur ruimte moet krijgen om te herstellen, klinkt een ander verhaal: dat is te duur, niet doelmatig of economisch onverantwoord.
Het is deze tegenstelling waarmee econoom Hans Stegeman in zijn Goudzwaard-lezing eind mei een fundamentele vraag blootlegde. Waarom erkennen we weerbaarheid wel als het om defensie gaat, maar nauwelijks als het gaat om zorg, onderwijs, sociale samenhang en natuur? En vooral: wie bepaalt eigenlijk wat noodzakelijk is en wat als verspilling wordt beschouwd?
Stegeman stelt die vragen in de geest van Bob Goudzwaard (inzet), de econoom en politicus die al in de vorige eeuw doorzag waar een economie van grenzeloze groei toe kon leiden. Lang voordat klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en grondstoffenschaarste dagelijks nieuws werden, schreef Goudzwaard over ‘ongeprijsde schaarste’. Schone lucht, vruchtbare grond, water en natuur zijn van levensbelang, maar - zo waarschuwde hij - komen nauwelijks in economische berekeningen voor. Wie ze aantast, kan winst maken. De schade wordt later door de samenleving betaald.
Daarmee was Goudzwaard, die in 2024 op 90-jarige leeftijd overleed, niet alleen een vroege milieueconoom. Hij was vooral een denker
over macht. Hij nam geen genoegen met de constatering dat het economische systeem verkeerde uitkomsten opleverde. Hij vroeg wie voordeel had bij dat systeem, welk verhaal de bestaande orde legitimeerde en waarom alternatieven nauwelijks serieus werden genomen.
Precies die benadering maakt zijn werk opnieuw actueel. Volgens Stegeman is economische groei in onze samenleving veranderd van een middel in een vanzelfsprekend doel. Groei is nodig voor banen, belastinginkomsten, pensioenen, bedrijfswinsten en het aflossen van schulden. Zodra de economie niet meer groeit, beginnen verschillende onderdelen van het systeem te kraken. Daardoor klinkt iedere oproep tot begrenzing al snel naïef of gevaarlijk.
Maar die groeidwang heeft een prijs. De natuur wordt verder uitgeput, publieke voorzieningen raken overbelast en de economische opbrengsten komen steeds vaker terecht bij een beperkte groep kapitaalbezitters. Toch wordt groei gepresenteerd alsof zij buiten de politiek staat: niet als een keuze, maar als een noodzaak.
Goudzwaard zou juist bij dat woord argwaan hebben gekoesterd. Wie iets noodzakelijk noemt, sluit immers andere mogelijkheden uit. Het verhaal dat groei onvermijdelijk is, heeft bovendien duidelijke begunstigden. Bedrijven profiteren wanneer milieuschade niet volledig wordt doorberekend. Vermogensbezitters profiteren wanneer winsten sneller stijgen dan lonen. Politici kunnen moeilijke discussies over verdeling vermijden zolang zij kunnen beloven dat een groeiende economie uiteindelijk iedereen ten goede komt.
Stegeman laat zien hoe kunstmatige intelligentie deze ontwikkeling kan versnellen. De belofte is dat AI mensen productiever maakt en nieuwe welvaart creëert. Maar bij wie komt die welvaart terecht? Wanneer bedrijven met minder werknemers meer kunnen produceren, stijgen de winsten mogelijk zonder dat lonen of belastingopbrengsten evenredig meegroeien.
Dat is geen denkbeeldig probleem. Een groot deel van de verzorgingsstaat wordt betaald uit belastingen op arbeid en consumptie. Wanneer het aandeel van arbeid in de economie verder afneemt, wordt die financiële basis smaller. Tegelijkertijd blijven de kosten van zorg, onderwijs en sociale zekerheid oplopen. De samenleving dreigt dan tweemaal te betalen: eerst doordat banen en inkomens onder druk komen te staan, daarna doordat publieke voorzieningen moeten worden versoberd.
Daar komt bij dat de macht over AI bij een handvol grote technologiebedrijven ligt. Zij bezitten de modellen, de infrastructuur en grote hoeveelheden data. Zij bepalen daardoor mede welke technologie wordt ontwikkeld en met welk doel. Niet noodzakelijk de toepassing met de grootste maatschappelijke waarde krijgt voorrang, maar de toepassing waarmee het meeste rendement kan worden behaald.
De discussie over AI is daarom niet alleen een gesprek over innovatie of werkgelegenheid. Het is ook een eigendomsvraag. Wie bezit de technologie die is opgebouwd met publiek onderzoek, collectieve kennis en het werk van miljoenen mensen? Wie ontvangt de opbrengsten? En welke zeggenschap heeft de samenleving nog over systemen waarvan zij steeds afhankelijker wordt?
Stegeman verbindt deze technologische machtsconcentratie aan zijn kritiek op het huidige veiligheidsdenken. Europa geeft steeds meer uit aan defensie. Daar kunnen goede redenen voor bestaan. Maar echte weerbaarheid bestaat uit meer dan wapens. Ook een gezonde bodem die water kan vasthouden, een ziekenhuis met voldoende personeel, goed onderwijs en een betrouwbaar sociaal vangnet beschermen een samenleving tegen ontwrichting.
De keuze is dus niet eenvoudigweg tussen méér of minder economische groei. De werkelijke keuze gaat over wat we willen laten groeien en wat we willen begrenzen. Meer militaire productie, datacenters en consumptie? Of meer zekerheid, tijd, zorg, natuur en zeggenschap?
Hier krijgt Goudzwaards ‘economie van het genoeg’ betekenis. Genoeg betekent niet dat iedereen genoegen moet nemen met minder. Het betekent dat er grenzen worden gesteld aan overdaad, uitputting en machtsconcentratie, terwijl er juist meer beschikbaar komt van wat mensen nodig hebben om goed te leven. Genoeg van te veel, maar ook genoeg van te weinig.
Dat vraagt concrete politieke keuzes. Belastingen kunnen verschuiven van arbeid naar vervuiling, grondstoffen en grote vermogens. Publiek gefinancierde technologie kan voorwaarden krijgen die ervoor zorgen dat opbrengsten ook publiek terechtkomen. Digitale infrastructuur kan gedeeltelijk als gemeenschappelijke voorziening worden georganiseerd. En zorg, onderwijs en natuur kunnen worden behandeld als bronnen van veiligheid in plaats van als kostenposten die voortdurend efficiënter moeten.
Maar aan zulke veranderingen gaat iets anders vooraf: het doorbreken van het dominante verhaal. Begrippen als groei, vooruitgang, efficiëntie en betaalbaarheid zijn niet neutraal. Ze verbergen keuzes en belangen.
Daarom blijft de vraag die Stegeman aan Goudzwaard ontleent zo belangrijk: wie heeft dit verhaal geschreven, en in wiens belang? Pas wanneer die vraag openlijk wordt gesteld, wordt zichtbaar dat de toekomst niet door de economie of de technologie wordt voorgeschreven. Zij wordt gevormd door menselijke beslissingen — en kan dus ook anders worden gekozen.
Wil je op de hoogte blijven van nieuwe analyses en opiniestukken, podcasts en boekentips? Schrijf je dan in voor de tweewekelijkse nieuwsbrief.