Afbeelding
Premier Thatcher en president Reagan in de Blauwe Kamer. Foto: WikiCommons, datum onbekend.
Premier Thatcher en president Reagan in de Blauwe Kamer. Foto: WikiCommons, datum onbekend.
In het kort:
Wie de wereld wil veranderen, moet het verhaal veranderen. Of zoals de Amerikaanse filosoof Charles Eisenstein ooit in een denkmodel heeft uitgewerkt: symptomen rusten op systemen en systemen rusten op verhalen. Als je als mens en als maatschappij wil transformeren dan moet je de onderliggende verhalen herschrijven. Dat is een grote uitdaging, want verhalen zijn door mensen verzonnen en worden door mensen in stand gehouden.
Om te begrijpen welk narratief in de afgelopen 50 jaar dominant is geworden in het Westen, nodig ik je uit om met mij een hinkstapsprong te maken door de geschiedenis. Want verhalen zijn zelden spontaan ontstaan. Heel vaak spelen specifieke wereld- of mensbeelden een rol. Het eigenbelang van de verhalenverteller is dan ook nooit ver weg.
Zo herinner ik me de jaren tachtig nog goed. Het waren jaren dat het Keynesiaanse denken van de gelijknamige John Maynard Keynes
onder vuur kwam te liggen. Hij vond dat overheden in de economie moesten ingrijpen om crises te bezweren. Dat werd in het Westen in antwoord op de oliecrisis van 1973 op grote schaal gedaan en riep groeiend verzet op onder de zogenoemde neo-liberalen. Zij bepleitten juist een vrije markt met een minimale overheidsbemoeienis. Want dat leidde volgens hen tot maximale individuele vrijheid en economische groei.
Hun verhaal viel in vruchtbare bodem, omdat de studentenprotesten van de jaren zestig de verlokking van vrijheid en individualisme hadden gestuwd. Bovendien hadden de neoliberalen sterke vertolkers (en tekstschrijvers) voor hun narratief. Dat was de Britse premier Margaret Thatcher, de Amerikaanse president Ronald Reagan en Milton Friedman (foto), econoom en Nobelprijswinnaar, die het neoliberalisme van zijn intellectuele pijlers voorzag.
Ik was er indertijd – zo jong als ik was – gevoelig voor. Dat kwam doordat de verhalen die zij vertelden en de woorden die zij kozen zo treffend waren. Zo is Thatcher beroemd geworden om deze uitspraak: “There is no such thing as society. There are individual men and women, and there are families.” Daarmee bedoelde zij dat individuele verantwoordelijkheid voorop moest staan en dat problemen niet uitsluitend door de samenleving of de staat konden worden opgelost.
Reagan deed ook zijn duit in het zakje. Hij zei: “The nine most terrifying words in the English language are: ‘I’m from the Government, and I’m here to help.”’ Ook deze uitspraak, gedaan in augustus 1986, viel in vruchtbare aarde. Zij werd het symbool van individualisering en vrijheid enerzijds en van wantrouwen anderzijds tegenover een bemoederende en alsmaar uitdijende overheid.
Symptoms rest on top of systems, systems rest on top of stories
De reality-check voor het poneren van dergelijke aanlokkelijke stellingen was al tien jaar eerder geformuleerd door Friedman. Van hem is de gevleugelde uitspraak die vandaag de dag nog gebezigd wordt: “There is no such thing as a free lunch.” Het betekende dat elke economische keuze kosten met zich meebrengt, ook als die niet direct zichtbaar zijn. Gratis overheidsvoorzieningen, waarschuwde Friedman, bestaan niet. Ze worden uiteindelijk betaald via belastingen, schulden of inflatie.
Ook in Nederland vielen de waarschuwingen voor een almachtige overheid in vruchtbare bodem. Zo kende het meest linkse kabinet dat ons land ooit heeft gehad, zijnde het kabinet-Den Uyl, een toptarief van 72 procent en bepleitte zij daarbovenop een vermogensaanwasdeling – die toen, net als nu, op veel maatschappelijk verzet stuitte. Oppositieleider Hans Wiegel (VVD) verketterde Den Uyl om zijn potverteren en het onbetaalbaar maken van de overheidsuitgaven. In 1972 zei hij bij een discussie tegen hem: “Sinterklaas bestaat. Daar zit hij!”
Op de val van het kabinet-Den Uyl in 1977, volgde een contrarevolutie van Christen-Democraten en Liberalen. Zij begonnen met de afbouw van de verzorgingsstaat - van hangmat naar vangnet, zoals toen werd gezegd. Tegelijkertijd zorgden zij voor meer marktwerking, verlaagden zij na verloop van tijd de belastingen en werd eigen initiatief en ondernemerszin beloond. In de jaren negentig werd het nieuwe verhaal ook door links min of meer geaccepteerd. Dat gebeurde toen Wim Kok, behalve de premier ook de voorman van de Sociaal-Democraten, in een toespraak pontificaal zijn ‘ideologische veren’ afschudde.
Rond de eeuwwisseling werd een soort van verzakelijking doorgevoerd. Dat blijkt wel uit de zielloze woorden als efficiency, optimalisatie en meetbaarheid. Het maakte dat niet alleen bedrijven maar ook publieke instellingen steeds meer volgens markt- en managementbeginselen werden ingericht. De Britse wetenschapper Michael Power sprak van de invoering van een audit society. Behalve op het bedrijfsleven en de overheid zou deze verzakelijking ook toenemend vat krijgen op de samenleving. De keerzijde van deze verzakelijking was dat gemeenschapszin toenemend plaatsmaakte voor egocentrisme, daarbij geholpen door de doorbraak van sociale media.
Na de verkiezingszege van Reagan in de VS en van Thatcher in het Verenigd Koninkrijk zijn in de jaren tachtig grote privatiseringsprogramma’s gestart. Het Britse initiatief kreeg gaandeweg navolging in Nederland, Duitsland en Italië. Uitzondering op de regel is Frankrijk geweest, dat altijd een sterke overtuiging heeft gehad dat de service public een centrale pijler is in de dienstverlening van de staat aan de bevolking.
Vooral in de laatste 25 jaar zijn veel overheidsdiensten en -instellingen geprivatiseerd, uitbesteed of gefinancialiseerd. Bij die laatste aanpak hebben private-equityfondsen een grote rol gespeeld. Zij nemen sinds de eeuwwisseling bedrijven over, die publieke diensten lever(d)en, bij voorbeeld op het vlak van zorg, kinderopvang, openbaar vervoer, afval, maar ook water, energie en huisvesting.
Sinds pakweg 2005 is de trend van privatisering van staatsbedrijven geëvolueerd naar private uitvoering van publieke diensten. Volgens The Guardian blijkt uit analyse van aanbestedingsgegevens dat bijna 9 procent van alle overheidsuitgaven terechtkomt bij externe opdrachtnemers, zijnde bedrijven die eigendom zijn van private-equityfondsen. Daarbij gaat het om ongeveer 24,5 miljard pond per jaar. Het betreft vooral zorg, onderwijs, afvalverwerking en vervoer.
Anno 2026 worden veel vraagtekens geplaatst bij de kwaliteit van de geleverde productie en/of dienstverlening. Waar sprake is van zware concurrentie, zoals in de luchtvaart, de telecom of de energiemarkt, is volgens wetenschappelijk onderzoek wel sprake van lagere prijzen, meer innovatie, betere keuzevrijheid en hogere productiviteit, aldus het Duitse Ifo-instituut.
Maar bij publieke dienstverlening, zoals gezondheidszorg, ouderen- en jeugdzorg, water en openbaar vervoer, lopen de resultaten veel meer uiteen. Veel privatiseringen zijn gericht op efficiency en kostenbesparing. In de praktijk gaat dat vaak gepaard met lagere personeelsbezetting, hogere werkdruk, meer nadruk op kostenbeheersing, complexere contracten, hogere transactiekosten en afnemende democratische controle. Met andere woorden: de beloofde kwaliteitsverbetering kwam niet altijd tot stand - integendeel.
Private equity onderscheidt zich doordat het veel vreemd vermogen inzet, relatief kort eigenaar blijft van een bedrijf of instelling en gericht is op waardevermeerdering bij doorverkoop. Deze doelen gaan vaak gepaard met risico’s van hoge schulden, kostenbesparingen en verminderde veerkracht in organisaties, aldus The Guardian.
In het zojuist gepubliceerde boek Privatising Humanity: How our Essential Human Needs became Financial Assets, doet wetenschapper Kate Bayliss onderzoek naar het privatiseringsbeleid in Groot-Brittannië. Daarbij behandelt zij drie voorbeelden: water, energie en woningen. Zij stelt dat privatisering indertijd door Thatcher werd aangeprezen als een oplossing voor meer efficiëntie, het tot stand brengen van een aandeelhoudersmaatschappij en het verlichten van de lasten voor de belastingbetaler.
Maar over de privatisering van waterbeheer concludeert Bayliss dat het heeft geleid tot een aanzienlijke stijging van de waterrekeningen, terwijl miljarden aan dividend aan aandeelhouders is uitgekeerd. Tegelijkertijd is er sprake geweest van grote investeringsachterstanden en zijn de schulden fors opgelopen.
Bayliss concludeert op basis van haar onderzoek dat vooral de minder bedeelde burgers zwaar geraakt worden door het ingezette beleid.
Inmiddels zouden 2 op de 5 gezinnen in VK problemen hebben om hun rekeningen te betalen, terwijl in de periode 2020-2022 ten minste 5.000 mensen in het Verenigd Koninkrijk zouden zijn gestorven als gevolg van onderkoeling. Dat kwam doordat ze de verwarming uit lieten staan, omdat ze de energierekeningen van hun woningen niet meer konden betalen. Bayliss voegt er in een podcast aan toe dat het aantal mensen dat in het Verenigd Koninkrijk dakloos is op dit moment het hoogste historische niveau ooit zou hebben bereikt.
Het werk van Bayliss, maar ook van anderen, laat zien dat de toon de laatste jaren verhardt. Zo bepleit hoogleraar Mariana Mazzucato in haar jongste boek The Common Good Economy: A New Compass een radicale heroverweging van de manier waarop overheden, bedrijven en burgers met elkaar omgaan.
In plaats van de staat in de eerste plaats te zien als een oplossing voor marktfalen of als leverancier van publieke goederen, stelt Mazzucato dat publieke instellingen een actievere rol moeten spelen bij het vormgeven van economische activiteit rond gedeelde maatschappelijke doelen.
Mazzucato onderzoekt in haar boek hoe samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven en gemeenschappen kan bijdragen aan het aanpakken van uitdagingen die variëren van ongelijkheid tot klimaatverandering. Centraal in haar betoog staat kritiek op wat zij beschouwt als de ‘parasitaire’ en ‘uitbuitende’ dynamiek die kenmerkend is voor veel hedendaagse economische structuren.
Zo ervaren veel mensen vandaag de dag dat door inflatie en schaarste de kosten van levensonderhoud alsmaar stijgen, terwijl woningen onbetaalbaar zijn en maken dat veel jonge stellen het krijgen van kinderen uitstellen. Als gevolg daarvan verliezen veel burgers het vertrouwen in zowel politiek en overheid, alsook in het bedrijfsleven. De concentratie van macht en rijkdom, gecombineerd met een groeiende invloed op het dagelijks leven, voedt het breed gedragen gevoel dat burgers steeds minder worden gezien als gelijkwaardige deelnemers aan de samenleving.
De kernvraag van onze tijd is dan ook van morele aard: wat voor samenleving willen we zijn? Een samenleving waarin alles wordt ingericht rond sturing van gedrag, consumptie en aandeelhouderswaarde - of een samenleving waarin menselijke gezondheid, autonomie, solidariteit en waardigheid opnieuw centraal staan? Het lijkt ons dat het nieuwe verhaal daar moet worden gezocht.
Wil je op de hoogte blijven van nieuwe analyses en opiniestukken, podcasts en boekentips? Schrijf je dan in voor de tweewekelijkse nieuwsbrief.