Afbeelding

Daron Acemoglu, Nobelprijswinnaar voor economie, 2024.

Daron Acemoglu ontvangt de Nobelprijswinnaar voor Economie, 2024. Foto: John Sears, Wiki Commons. 

/ analyse

Wie heersende verhaal uitdaagt, krijgt twijfelbrigade op zijn dak

In het kort:     

  • Daron Acemoglu botst met The Economist over macht, technologie en kapitalisme.
  • De Nobelprijswinnaar waarschuwt dat technologische vooruitgang vooral elites kan bevoordelen.
  • De eigendomsstructuur van het gezaghebbende medium roept vragen op over onafhankelijkheid.

Het wordt de twijfelbrigade genoemd, de mensen en de organisaties die gemobiliseerd worden als de status quo gevaar loopt. In onze tijd is dat het heersende narratief rond neoliberalisme en marktkapitalisme. Als daar door ook maar enige twijfel over ontstaat, dan zet de twijfelbrigade de achtervolging in - op de boodschapper.

Deze maand was het doelwit niemand minder dan de Turkse Daron Acemoglu. Hij won in 2024 de Nobelprijs voor Economie. The Economist, één van de meest prestigieuze media in de wereld, zette hem in augustus met een lang stuk op het schavot en noemde hem “oddly unconvincing”. Volgens The Economist was zijn beroemdheid veel groter dan op basis van zijn werk gerechtvaardigd was. 

De aanval op Acemoglu kwam uit de lucht vallen en is veelzeggend voor de oplopende spanningen. Acemoglu is de grondlegger van de zogenoemde institutietheorie. Deze theorie stelt dat verschillen in welvaart tussen landen vooral worden bepaald door de kwaliteit van de politieke en economische instituties, dat wil zeggen dat het de regels en de machtsverhoudingen zijn die bepalen wie kan deelnemen, investeren, ondernemen en invloed kan uitoefenen. Onderscheid wordt in de institutietheorie gemaakt tussen Inclusieve instituties en extractieve instituties. 

Inclusieve instituties beschermen eigendomsrechten, bevorderen concurrentie en bieden brede toegang tot onderwijs en economische kansen. Ze spreiden politieke macht relatief breed en bevorderen daarmee innovatie en duurzame groei.

Extractieve instituties daarentegen concentreren macht en rijkdom bij een kleine elite. Daarmee wordt concurrentie beperkt en wordt de economie vooral gebruikt om middelen aan de rest van de samenleving te onttrekken. Voor een korte periode kan dat groei opleveren, maar op termijn remmen ze innovatie en ontwikkeling af, zo stelt Nobelprijswinnaar Acemoglu. 

De welvaart in een land hangt volgens hem dan ook niet alleen af van kapitaal, technologie of natuurlijke hulpbronnen, maar vooral van wie de macht heeft en hoe die macht institutioneel is georganiseerd. Het is uiteindelijk de inrichting van de instituties die bepalend is voor de welvaart - en het welzijn - van een land. 

In hun standaardwerk Why Nations Fail (2013) wezen Acemoglu en co-auteur James Robinson naar het overheersende belang van de inrichting van de instituties. Het is namelijk een zichzelf versterkend proces: politieke instituties bepalen economische instituties, economische instituties verdelen rijkdom, en die rijkdom beïnvloedt op zijn beurt de politieke macht. Daardoor kunnen zowel inclusieve als extractieve systemen langdurig blijven bestaan.

Het gevaar van de tech-revolutie

In Power and Progress, dat in 2023 is gepubliceerd, richt Acemoglu c.s. zich vooral op de Westerse economieën. Hij stelt dat door de tech-revolutie de positie van arbeid(ers) wordt verzwakt en dat dat gepaard gaat met afnemende invloed, Het is het neoliberalisme dat de klok slaat en volgens hem toenemende ongelijkheid tussen sociale klassen veroorzaakt, Het bevoordeelt mensen die het kapitaal vertegenwoordigen. The Economist staat die aanval op het neoliberalisme klaarblijkelijk niet aan en stelde deze maand dat Acemoglu’s definitie van instituties te breed is, waardoor de theorie achteraf vrijwel iedere ontwikkeling kan verklaren. 

The Economist vindt dat hij de technologische geschiedenis te veel als een strijd ziet waarin (alleen) de elites de winst incasseren. Het blad benadrukt dat technologische vooruitgang op zichzelf juist een enorme bijdrage aan de algemene welvaart heeft geleverd. Ook zou Acemoglu de toekomstige productiviteitsstijging van AI onderschatten doordat hij nieuwe toepassingen, wetenschappelijke versnelling en agentic AI onvoldoende meeneemt. 

Kortom Acemoglu trekt de maatschappelijk en politieke conclusies te gemakkelijk uit het onderzoek dat empirisch minder robuust, theoretisch minder verrassend en technologisch pessimistischer is dan zijn grote reputatie doet vermoeden, aldus The Economist. Het blad betwist vooral de verhouding tussen zijn intellectuele gezag en de bewijskracht van zijn ideeën. 

Uw kritiek is “oddly unconvincing”

Acemoglu is geraakt door de frontale aanval. Hij houdt The Economist in een reactie voor dat haar kritiek bizar is. ‘Your central verdict that I am “oddly unconvincing” rests on unnamed economists revealing their true opinion of me over a few drinks. No persons who have been offered drinks to get to this truth are named. Would you publish a letter asserting that, over a few drinks, most people tell me that your newspaper is no longer worth subscribing to? The only person quoted with such views is a blogger (Noah Smith, red), a thin basis for judging a life time of academic work. If this is the you can do with a body of work spanning 33 years, then it is your critique that is “oddly unconvincing”. 

Bijstand in deze principiële strijd krijgt Daron Acemoglu van zijn landgenoot en econoom Ibrahim Ozturk. Hij wijst er in een artikel op dat de titanenstrijd veel meer is dan een wetenschappelijk discussie. Het werkelijke conflict draait om de vraag wie de economische en de technologische macht heeft en wie deze mag sturen. Acemoglu zegt volgens Ozturk dat bestudering van de geschiedenis, zoals gedaan in Power and Progress, juist laat zien dat technologische vooruitgang niet automatisch tot algemeen welzijn leidt. 

Weliswaar schept technologie nieuwe mogelijkheden, maar wie de opbrengst daarvan krijgt bepalen eigendomsverhoudingen, politieke instituties en machtsverhoudingen. Vooral bij kunstmatige intelligentie is dat essentieel, want – zoals de Amerikaanse praktijk laat zien – als het om data, cloud en chips gaat dan is de macht in handen van grofweg een dozijn bedrijven, zo schrijft Ozturk in de verdediging van zijn landgenoot. 

Otzturk vindt dat The Economist met twee maten meet. Werd Acemoglu in het verleden nog gewaardeerd om zijn institutietheorie, die uitlegde waarom arme en autoritaire landen doorgaans slechter functioneerden dan Westerse economieën. Nu past Acemoglu deze analyse toe op het Westen. De tech-revolutie van AI etc verzwakt de positie van arbeid(ers), leidt tot groeiende ongelijkheid tussen sociale klassen en bevoordeelt in sterke mate mensen die het kapitaal vertegenwoordigen. 

‘Nobelprijswinnaar probeert liberalisme te redden’

Otzturk zegt in de verdediging van Acemoglu dat deze er niet op uit is het liberalisme af te breken, maar het juist probeert te redden. Daarvoor waarschuwt hij dat kapitalisme en AI zonder een democratische tegenmacht kunnen leiden tot een combinatie van populisme, autoritarisme en een oligarchie van extreme macht. Hij pleit daarom voor een begrenzing van het neoliberalisme en in het verlengde daarvan ook van een begrenzing van het marktkapitalisme. Zo stelt Acemoglu de terechte vraag of het marktkapitalisme dusdanige machtsconcentraties kunnen voortbrengen die uiteindelijk ook de democratie fataal zullen worden. 

De polemiek tussen de Nobelprijswinnaar en The Economist rechtvaardigt de vraag of het medium minder zelfkritisch is geworden. Vooralsnog lijkt dat niet het geval, aangezien het blad op 21 augustus de scherpe reactie van Acemoglu op zijn website heeft geplaatst. Maar wie de macht van media wil begrijpen, moet niet alleen naar redacties kijken, maar ook naar hun eigenaren. Internationaal onderzoek laat al jaren zien dat grote nieuwsmedia opvallend vaak in handen zijn van families, miljardairs, holdings en conglomeraten. Bij kranten is familiebezit historisch zelfs eerder regel dan uitzondering. Daarnaast is de concentratie (zeer) groot: in veel landen beheersen enkele concerns een belangrijk deel van de nieuwsmarkt.

Dat betekent vanzelfsprekend niet dat eigenaren automatisch bepalen wat redacties en journalisten schrijven. Maar het is wel eigendom dat de bestuurlijke omgeving bepaalt, alsook de benoeming van bestuurders en uiteindelijk de institutionele context waarin een redactie opereert. Juist op dat punt wordt het voorbeeld van The Economist interessant.

Machtsconcentratie valt niet te ontkennen

Zo kent het gezaghebbende Britse weekblad stevige waarborgen wat betreft zijn redactionele onafhankelijkheid. Onafhankelijke trustees moeten onder meer instemmen met de benoeming van de hoofdredacteur en bewaken de bijzondere eigendomsstructuur. Geen aandeelhouder kan de onderneming volledig naar zijn hand zetten. Maar tegelijkertijd is de economische wereld rondom het blad onmiskenbaar die van het internationale grootkapitaal. Grootste aandeelhouder is Exor, de investeringsholding van de Italiaanse Agnelli-familie, met ruim 43 procent van het kapitaal. Sinds dit jaar bezit de Canadese financier Stephen Smith, via zijn familieholding Smith Financial Corporation, bijna 27 procent. Het heeft dit belang overgenomen van de Rothschild-familie.

Die verwevenheid is ook zichtbaar in de boardroom. Zo is voorzitter Paul Deighton tevens voorzitter van Goldman Sachs International. Suzanne Heywood is topbestuurder van Exor. Stephen Smith vertegenwoordigt zijn omvangrijke financiële familiebelang. En Mustafa Suleyman, CEO van Microsoft AI, zit eveneens in het bestuur.

Nogmaals, dit is geen bewijs dat aandeelhouders of bestuurders de redactionele koers dicteren. Maar het rechtvaardigt wel de vraag hoe onafhankelijk kan een medium inhoudelijk zijn wanneer zijn bestuurlijke en sociale omgeving steeds sterker samenvalt met de financiële, technologische en industriële elite waarover het dagelijks op zijn website en in het weekblad verslag doet?

Het is vooral die setting die de botsing met Daron Acemoglu zo interessant is. In zijn werk stelt de Nobelprijswinnaar namelijk dat economische macht uiteindelijk politieke en institutionele macht kan worden. Die paradox ligt bij The Economist dan ook voor het oprapen: het blad verdedigt zijn redactionele onafhankelijkheid met sterke formele waarborgen, maar tegelijkertijd maakt het deel uit van een bestuurlijke omgeving die de machtsconcentratie laat zien waar Acemoglu in zijn wetenschappelijke werk voor waarschuwt. 

Overigens ook bij andere mediabedrijven worden vertegenwoordigers van machtige bedrijven en organisaties aan interne toezichthoudende organen toegevoegd - zie deze post.

Noot: ‘de twijfelbrigade’ is bedacht door Hans Stegeman, hoofdeconoom van Triodos Bank.