Afbeelding

President Trump. Foto: T. Cross, NYT, 2026

President Trump. Foto: T. Cross, NYT, 2026.

/ analyse

Unilaterale handelen maakt VS tot een keizer zonder kleren

In het kort: 

  • De VS zien zichzelf als een hegemonie: regime changes zijn deel van de gereedschapskist.
  • Centraal in deze aanpak staat het M-Oosten, omdat het de energieproducent van de wereld is.
  • VS wijzen stelsel van internationaal recht af. Gevolg: VS vervreemden zich steeds meer van de rest.

De oorlog in het Midden-Oosten laat zich in de beeldvorming steeds minder goed symboliseren door de luxe en de overdaad van de Golfregio dan door de rafelranden van nabijgelegen, veelal geïmplodeerde staten. De meest opvallende voorbeelden daarvan zijn Irak, Libië, Syrië, Jemen, Libanon en Iran.

De oorsprong van die crises gaan bijna een kwart eeuw terug in de tijd. In 2003 zou de Amerikaanse regering een invasie in Irak rechtvaardigen met het argument dat het land massavernietigingswapens ontwikkelde, zowel op nucleair-, alsook op chemisch- en biologisch gebied. Bij de Amerikaanse invasie die daarop volgde, werd president Saddam Hussein afgezet. Later bleek echter dat er geen enkel overtuigend bewijs was gevonden voor de beschuldiging dat het regime in Bagdad dergelijke wapens daadwerkelijk ontwikkelde. 

Met de op regime change gerichte invasie heeft de VS een belangrijke rol gehad in de destabilisatie van Irak. Na de val van Hussein, werd het leger ontbonden, evenals het staatsapparaat dat onder leiding stond van de heersende Ba’ath-partij. Het bracht een machtsvacuüm teweeg, dat de opkomst van milities – zoals het radicale ISIS – mogelijk zou maken. Hoewel de machtswisseling een uitdrukkelijk doel was, was er in de scenario’s geen rekening mee gehouden dat het staatsbestel in Irak vervolgens zou imploderen. Maar dat was wel wat er gebeurde. 

Amerikaanse unilateralisme steunt op lange historie

Het bewust verzwakken van landen gaat als machtsmiddel ver terug in de tijd. Zo paste het Verenigd Koninkrijk deze strategie als koloniale macht in de 19e eeuw toe in het Midden-Oosten, terwijl Frankrijk voor een vergelijkbare aanpak koos in Syrië en Libanon. Als instigator van deze praktijk kan de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden worden aangewezen. Zo schreef gouverneur Jan-Pieterzoon Coen in de 17e eeuw aan het bestuur van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC): ‘U moet op basis van uw ervaring weten dat handel in Azië gedreven en behouden wordt onder de bescherming en de goedkeuring van uw wapens en dat de wapens betaald dienen te worden met de opbrengsten van de handel. Dat betekent dat we geen handel kunnen drijven zonder oorlog en geen oorlog kunnen voeren zonder handel.’ 

Het zou de Verenigde Staten zijn die in 1823 een poging deed om aan deze praktijk een einde te maken. Dat deed president Monroe met de naar hem genoemde doctrine die erop gericht was om aan deze Europese praktijk een einde te maken. Hij verklaarde elke vorm van Europese bemoeienis op het westelijk halfrond taboe. Terugkijkend zou dat als ironie gezien kunnen worden, gelet op de praktijk van interventies, waarvan de Verenigde Staten zich inmiddels al vele decennia bedient. 

President Bush. Foto: National Archives, WikiCommons, 2006.

In de negentiger jaren van de vorige eeuw toen de Verenigde Staten werden beschouwd als overwinnaar van de Koude Oorlog en er zelfs werd gesproken van ‘het einde van de geschiedenis’, kreeg deze visie nieuwe invulling. Daartoe nam een groep Amerikaanse neoconservatieve intellectuelen en voormalige topambtenaren een historisch initiatief. Dat was de oprichting van The Project for the New American Century (PNAC). De initiatiefnemers daarvan waren William Kristol en Robert Kagan. Zij betrokken een kantoor in Washington D.C., maar een klassieke denktank werd PNAC niet. De initiatiefnemers en hun geestverwanten hadden meer weg van een sterk ideologisch gedreven gezelschap, dat zich inzette om de Verenigde Staten een nieuwe imperiale architectuur te geven. Deze ambitie werd ingegeven door de frustratie dat het zogenoemde vredesdividend – zijnde het einde van de Koude Oorlog – geen beloning was geweest. Integendeel, het had een strategisch vacuüm veroorzaakt dat de wereldwijde dominante van de Verenigde Staten zelfs had ondermijnd, zo luidde de conclusie van het gezelschap.

‘Er is sprake van een uniek unipolair moment’

Op 3 juni 1997 werd het manifest in Washington gepresenteerd. Daarin werd het traditionele behoedzame realisme van de Republikeinse Partij afgeworpen en vervangen door wat werd geformuleerd als “to Reganite policy of military strength and moral clarity” – een verwijzing naar de voormalige president Ronald Reagen die beschouwd wordt als grondlegger van de conservatieve revolutie in de VS in de jaren ‘80. De ondertekenaars waren behalve Kristol en Kagan, ook toekomstige kopstukken van de aanstaande regering-Bush, zijnde Dick Cheney, Donald Rumsfeld en Paul Wolfowitz. Gemene deler was hun overtuiging dat er ‘sprake was van een uniek unipolair moment’, waarin de Verenigde Staten een “global primacy” zouden moeten worden. Dat hield in dat andere landen niet aan de macht zouden mogen komen. Daarbij werd expliciet gedacht aan rivalen als Rusland en China, maar ook aan de Europese Unie, zo schrijft Marie-Soleil Seshat Landry in haar analyse Architecture of Deception: Iraq War Analysis. De Verenigde Staten zagen zichzelf als een ‘wereldwijde politieagent’, die overal zijn macht zou kunnen en moeten laten voelen. De centrale projectie van dat geformuleerde beleid was het Midden-Oosten, vanwege zijn fundamentele rol en betekenis als energieproducent van de wereld.  

De val val van Hussein zou “een democratische tsunami” teweegbrengen

Saillant detail daarbij was dat onder de neo-conservatieven de frustratie groot was dat de VS in de Golfoorlog van 1991 hadden nagelaten het bewind van Sadam Hussein omver te werpen. Het zette PNAC aan tot het breed gedeelde doel om die fout te herstellen. Daartoe werd afscheid genomen van de aloude begrippen van de Koude Oorlog, zoals containment (insluiting) en detterence (afschrikking). Daarvoor in de plaats werd gekozen voor een proactieve aanpak. Historisch-gezien kan dat worden beschouwd als ‘een vaarwel’ van de in 1648 overeengekomen Vrede van Westfalen. Daar waren katholieke en protestante rivalen tot de slotsom gekomen dat zij ‘het eens waren dat zij het oneens waren’. 

Op basis van het beginsel cuius regui, eius religio – wiens gebied, diens gebed – werd bepaald dat iedere heerser zelf bepaalde wat de heersende godsdienst binnen zijn grenzen zou zijn. Want de soeverein is als ‘vervanger van God op aarde’ de beste duider van wat Hij wil, zou de Engelse filosoof Thomas Hobbes in Leviathan schrijven. De Vrede van Westfalen zou daarmee de opmaat vormen naar staatsvorming en naar een praktijk waarin de staat boven de religie kwam te staan. 

De lange lijnen van deze vrede zouden kunnen worden doorgetrokken tot de internationale wet- en regelgeving en het Handvest van de Verenigde Naties die na de Tweede Wereldoorlog tot wasdom kwamen. De neo-conservatieven van PNAC sloten zich ogenschijnlijk bij deze verlichte ideeën aan. Zij spraken de verwachting uit dat de val van Hussein “een democratische tsunami” teweeg zou brengen en daarmee zou bijdragen aan de vestiging van een langdurige Amerikaanse hegemonie.

‘We hebben een Pearl-Harbor moment nodig’

In 2000, het jaar dat de Republikeinse kandidaat George Bush werd gekozen tot de president van de Verenigde Staten, was dankzij Condoleezza Rice – de nationale veiligheidsadviseur in zijn regering – contact gelegd met de kopstukken van PNAC. Terwijl Bush tijdens de verkiezingscampagne nog had geijverd voor een ‘nederig’ buitenlands beleid, sloegen de hemelbestormers van PNAC achter de schermen een tegenovergestelde weg in. Dat werd een blauwdruk voor een contrarevolutie, getiteld RAD: Rebuilding America’s Defenses - strategy, forces and resources. Deze gepubliceerde beleidsvisie, ‘slechts’ 90 pagina’s lang, liet over het doel van de neo-conservatieven geen twijfel: de VS moesten een proactieve, wereldwijde hegemonie worden. Maar daar werd zonder enige gene wel de stelling aan toegevoegd dat men daar wel een ‘Pearl Harbor-moment voor nodig had’.

World Trade Center, N.Y. kort na aanslag 9/11

 Marie-Soleil Seshat Landry schrijft in haar analyse dat de opstellers van deze beleidsvisie zich ervan bewust waren dat het een moeilijke missie zou worden om de Verenigde Staten – met steun van de bevolking – militair-gezien te doen veranderen van een defensief, naar een agressief “full spectrum dominance model”. Mede vanwege dat besef werden de intellectuele zwaargewichten van PNAC, en de opstellers van de beleidsvisie RAD in 2001 opgenomen in de regering-Bush. Dat waren Donald Rumsfeld en Paul Wolfowitz op het ministerie van Defensie en Dick Cheney in de rol van vice-president. 

Tegen de achtergrond van het besef dat er veel nodig was om de breuk met het verleden te bewerkstelligen, schrijft Seshat Landry met verwijzing naar de opstellers van het RAD-rapport: ‘To move the PNAC blueprint from the fringe of think-tank theory to the center of national policy, a “shock to the system” was required – an event so traumatic that it would reset the national consciousness and silence the traditional checks and balances of a democratic society.’ Het transformatieproces, zelfs als het revolutionaire veranderingen teweegbrengt, zal waarschijnlijk lang duren, tenzij er zich een catastrofale gebeurtenis voordoet die als chaos-katalysator fungeert – zoals een nieuw Pearl Harbor, concludeerde Seshat Landry op basis van het rapport. 

Amerikaanse inmengingen zijn halfbakken werk 

Op 11 september 2001 (foto) is het zover en gebeurt het ongelooflijke: twee gekaapte passagiersvliegtuigen vliegen in de twee torens van het Amerikaanse World Trade Center in New York en imploderen. Bij de aanvallen komen meer dan 2700 mensen om. Meteen daarna wordt door Bush c.s. geroepen: ‘je bent voor ons, of je bent met de terroristen.’ In de chaos van de dagen daarna accepteert de verwarde bevolking The Preemption Doctrine: de uitvoerende macht heeft de zelfstandige bevoegdheid om te beslissen tot iedere denkbare oorlog, waar ook ter wereld. Voorwaarde is dat er sprake is van “a clear and present danger”. 

Bewindslieden als Cheney en Wolfowitz gingen in het kielzog daarvan meteen roepen dat Sadam Hussein persoonlijk betrokken was bij de aanslagen van 9/11. Hoewel daar geen enkele bewijsvoering voor was, noch van de CIA noch van de FBI, geloofde maar liefst 70% van de publieke opinie in de Verenigde Staten dat Hussein persoonlijk betrokken was bij de aanvallen op het WTC. De conclusie was dan ook dat de regering-Bush zowel politiek als moreel gemachtigd was om Irak binnen te vallen (alsook Afghanistan in oktober 2001). 

De omverwerping in 2003 van het regime van Sadam Hussein gebeurde zonder dat er sprake was van een stabiele opvolging. Het droeg in het land dan ook bij aan langjarige instabiliteit als gevolg van een machtsvacuüm. Acht jaar later, in 2011, zou een nieuw staaltje van Amerikaans halfbakken werk plaatsvinden – namelijk ingrijpen zonder een exit-strategie. Zo brak er in Libië – het door Moammer al-Kadhafi al 42jaar als alleenheerser bestuurde land – een opstand uit. De toenmalige president Barack Obama besloot op aandringen van minister Hillary Clinton van Buitenlandse om in te grijpen met NAVO-partners Engeland en Frankrijk. Daarmee evolueerde het bondgenootschap van een defensieve naar een offensieve alliantie. Het doel was om burgers te beschermen en een democratie mogelijk te maken. Toen de Libische leider Khadafi echter was gedood, was er geen plan – noch ambitie – voor een opbouw cq herstel van de staat. Het gevolg was een implosie van het bestel en het uiteenvallen van het land in rivaliserende milities. 

Foto: Teheran, Iran, mrt 2026. Foto: Hossein Zohrevand / WikiCommons.

De Arabische Lente, zoals het volksoproer in diverse landen in de regio werd genoemd, zorgde in 2011 ook in Syrië voor een volksopstand. Opnieuw hadden allerlei buitenlandse mogendheden zich in deze burgeroorlog gemengd. Zowel de Verenigde Staten, Rusland, Iran, Turkije als de Golfstaten steunden uiteenlopende groepen. De facto leidde dat tot een opdeling in invloedssferen. Het doel daarvan was weliswaar niet het opbreken van de staat, maar toch was fragmentatie er wel het (on)bedoelde gevolg van. Pas in 2024 zou dictator Bashar al-Assad het veld ruimen. 

Met de recente aanval van de Verenigde Staten en Israël op Iran wordt het denken van de Amerikaanse neo-conservatieven voortgezet: de regering-Trump ziet zich als de hegemonie van de wereld, gerechtigd om in te grijpen op voorwaarde dat er sprake is van “a clear and present danger”, zoals Cheney, Rumsfeld en Wolfowitz dat rond de eeuwwisseling hadden gemunt. President Trump gaf daarentegen wisselende argumenten voor de oorlog: voorkomen dat Iran kernwapens ontwikkelt, zelfverdediging en bescherming van Amerikanen, terrorisme bestrijden en de druk opvoeren op het regime, om daarmee de tijd en de geesten rijp te maken voor een volksopstand. Het warrige management by speech van Donald Trump laat andermaal zien dat de Verenigde Staten voor de zoveelste keer geen exit strategy hebben. 

‘President Trump loopt aan de hand van Netanyahu’

Weliswaar zijn een aanzienlijk aantal kopstukken van het Iraanse regime omgekomen of doelgericht vermoord in deze zogenoemde Epic Fury, toch wordt de rechtvaardiging van deze oorlog betwijfeld en scherp bekritiseerd, zowel in Amerika zelf als elders in de wereld. Zo stapte recentelijk Joe Kent, de directeur van het Amerikaanse Nationale Centrum voor Contraterrorisme, op. Hij schreef in zijn op het platform X gepubliceerde ontslagbrief dat hij ‘in goed geweten de voortdurende oorlog tegen Iran niet kan steunen. Iran vormde geen onmiddellijke bedreiging voor ons land.’ Kent stelt dat de aanval op Irak indertijd is begonnen ‘onder druk van Israël en de machtige lobby van dat land in de VS’. Hij stelt dat Israëlische topfunctionarissen en invloedrijke figuren in de Amerikaanse media bewust desinformatie hebben verspreid om een oorlog tegen Iran te rechtvaardigen. Kent vindt bovendien dat deze campagne Trump’s beleid van America First heeft ondermijnd. 

Kent

Joe Kent (foto), die Trump’s MAGA-beweging echter wel principieel steunt, staat in zijn kritiek niet alleen. Er zijn veel Amerikaanse (neo-)conservatieven die vinden dat president Trump het initiatief heeft verloren door mee te gaan in Israël’s aanval op Iran, op zaterdag 28 februari. Eén van de zeer uitgesproken politieke activisten op dit vlak is de Amerikaanse Candace Owens. Zij is conservatief, steunt net als Joe Kent in beginsel Trump’s MAGA-beweging en noemde de president in dat kader zelfs een ‘beschermer van de Westerse beschaving’. 

Sinds 2024 is zij echter uitgesproken kritisch over het Israël van premier Benjamin Netanyahu. In een interview met de Britse journalist Piers Morgan stelt zij dat de aanval op Iran geen besluit van Trump is geweest, maar van Netanyahu. Owens bestempelt Israël als een terroristische staat, die genocide en zelfs een holocaust toepast in de Gazastrook en zich niet langer kan beroepen op the moral highground, zoals het dat decennia heeft gedaan. Zij noemt het Israël van Netanyahu zelfs de grootste terrorist van allemaal. Hoewel het land zelf kernwapens heeft, ontzegt zij dat recht aan anderen – zoals Irak. Tegelijkertijd zegt Owens, met verwijzing naar Hamas, dat Israël deze en andere terreurgroepen in het Midden-Oosten financieel heeft gesteund. Ook werpt zij Netanyahu voor dat hij en zijn medewerkers telkens weer de Verenigde Staten hebben opgeroepen om te interveniëren in landen als Syrië, Afghanistan, Libië en nu dan Iran. ‘America wants to get of this crazy train,’ besluit ze in het interview. 

Hoe Israël en VS militair overwicht bewust inzetten

Een opvallend detail in het onder PNAC geformuleerde aangepaste buitenlands beleid van de Verenigde Staten was dat een jaar eerder, in 1996, het zogenoemde rapport A Clean Break werd opgeleverd. Dat rapport was opgesteld door Richard Perle voor de toenmalige regering van premier Netanyahu. Daarin bepleitte de Amerikaan voor Israël een assertievere regionale strategie. Hij adviseerde het principe van preventieve actie opnieuw in te voeren, in plaats van alleen maar vergeldingsmaatregelen te nemen. Daarnaast was zijn stelling dat je niet langer klappen moest incasseren zonder terug te slaan. 

Perle zou een jaar na oplevering van zijn rapport A Clean Break in 1997 betrokken worden bij Project for the New American Century (PNAC). Hij voelde zich verwant en politiek betrokken bij dit initiatief, maar hij was geen kernfiguur van PNAC’s publicaties. Wel zijn er inhoudelijk belangrijke overeenkomsten tussen A Clean Break en Rebuilding America’s Defenses. Zo wordt niet langer gefocust op afschrikking, maar wordt het militaire overgewicht bewust gebruikt om de wereldorde te vormen door middel van een offensieve geopolitiek.

Verandering van regimes is een legitiem instrument om vijandige machthebbers te vervangen. In beide rapporten wordt Irak als een sleutelstaat gezien en als een hefboom voor bredere regionale herordening. Daarnaast wordt militair overwicht als basis van stabiliteit beschouwt, terwijl tot slot in beide rapporten de voorkeur uitgaat naar unilaterale actie. Wordt in Perle’s rapport A Clean Break geijverd voor het hervormen van de regio rond Israël, in het RAD-document wordt een stap verder gegaan: de vorming van een nieuwe internationale orde onder Amerikaanse leiding. In beide documenten staat het actief hertekenen van geopolitieke structuren centraal. Overigens is het in deze goed te beseffen dat PNAC geen Israëlisch of joods gelieerd initiatief is geweest. 

Beleid van inmengingen stuit op verzet bevolking

Tot slot werpt zich in dit historische onderzoek de vraag op of je PNAC en de denktank Heritage Foundation, die zowel bij de Republikeinse beleidsvorming van president Reagan als president Trump een belangrijke rol heeft gespeeld, in elkaars verlengde kunnen worden gezien. Néé, dat is niet het geval. PNAC was een relatief kleine, maar ideologisch scherp gepositioneerde denktank, vooral gericht op de buitenlandse machtspolitiek van de Verenigde Staten. De Heritage Foundation gaat daarentegen veel verder. Het richt zich vooral op institutionele hervorming in het land zelf. Het deed dat in het 900 pagina’s dikke Project 2025

In dat rapport met vele aanbevelingen ligt de focus op hervorming van de federale overheid en uitbreiding van de presidentiële macht. Ook wordt geijverd voor thema’s als onderwijs, migratie en cultuur die voor conservatieven van principieel belang zijn. Terwijl RAD vooral moet worden gezien als een geopolitiek en militair strategisch document, richt Project 2025 zich op een binnenlandse bestuurlijke en ideologische herinrichting. Dat accent dat in het ene geval op het buitenlandse - en in het andere geval op het binnenlandse terrein het accent legt, leidt tot zichtbare spanningen in de Republikeinse partij en haar aanhangers. 

Verantwoording foto’s: 1 - President Trump komt aan op vliegveld Maryland. Foto: NYT, Tierney L. Cross; 2 - President Bush, in aanwezigheid van Dick Cheney, Donald Rumsfeld en Condoleezza Rice (vrnl). Foto: National Archives/WikiCommons, 2006. 3 - Geïmplodeerde WTC, 9/11/2001. Foto: Wiki Commons 4 - Gebombardeerd appartementencomplex, Teheran, Iran, 2026. Foto: Wiki Commons 5 - Joe Kent. Foto van de website NOS.nl.