Afbeelding

Benzinestation. Foto: Jonathan Petersson, Unsplash.

Benzinestation. Foto: Jonathan Petersson, Unsplash

/ analyse

EROI-maatstaf: het geopolitieke Salomonsoordeel tussen VS & EU

Het was Donald Trump die op 20 januari 2025 de marsroute tot officieel beleid bestempelde. Hij deed dat tijdens zijn inaugurale toespraak met de woorden “Drill Baby Drill!” Volgens de president was er sprake van een nationale noodtoestand op het terrein van energie, die vereiste dat in de Verenigde Staten de focus werd gelegd op de winning van olie en gas.

Die boodschap van “Drill Baby Drill” wekt de indruk dat het om een zorgeloze keuze gaat – gewoon een kwestie van de kraan openzetten. Maar niets is minder waar. Onderzoekers waarschuwen dat mogelijk al volgend jaar sprake zal zijn van een dalende olieproductie.

Zo is er nu al sprake van een snelle daling van Energy Return on Investment – de zogenoemde EROI. Dat is een maatstaf die duidelijk maakt hoeveel energie een energiebron oplevert in verhouding tot de energie die nodig is om die energie te winnen. Met andere woorden: EROI = verkregen energie / geïnvesteerde energie. Als bijvoorbeeld een oliebron 100 eenheden energie oplevert, en het kost 10 eenheden energie om die olie te vinden, te raffineren en te transporteren, dan is de EROI 100 : 10 = 10. Dat wil zeggen: voor elke 1 eenheid energie die je erin stopt, krijg je er 10 voor terug.

EROI maakt duidelijk hoe rendabel een energiebron voor de samenleving is. Als er sprake is van een EROI van 50:1 of 100:1, dan is er veel netto energie beschikbaar voor economie, onderwijs, zorg, industrie etc. Historisch gezien had conventionele olie in de Verenigde Staten in de jaren ’30 van de vorige eeuw een EROI van circa 100:1. Als de EROI daarentegen laag is, bijvoorbeeld 3:1 of 5:1, dan is er veel minder netto energie beschikbaar voor de rest van de economie. Als de EROI richting 1:1 gaat, levert een energiebron netto niets meer op.

Globale schattingen stellen dat conventionele olie vroeger een EROI kende van 30-100:1. Bij olie en gas uit onze tijd is dat eerder 10-20:1. Bij schaliegas ligt dat nog lager, vaak 5-10:1. Steenkool scoort relatief hoog, terwijl bij wind- en zonne-energie wordt gesproken van 15-30:1, respectievelijk 10-25:1.

De berekening van de rentabiliteit van deze energiebronnen is van belang voor de inschatting wat wel en niet bijdraagt aan de energietransitie. Experts stellen dat een moderne samenleving minimaal een EROI van 7-10:1 nodig heeft om goed te functioneren.

De Amerikaanse paradox

Voor de Verenigde Staten ligt hier een paradox. Dankzij de schalierevolutie zijn zij uitgegroeid tot ’s werelds grootste producent van olie en aardgas. De combinatie van horizontaal boren en hydraulisch fracken heeft enorme reserves ontsloten. In volumetermen lijkt “Drill Baby Drill” dus een logisch vervolg.

Maar schalievelden kennen een ander profiel dan de klassieke olievelden van Texas of Alaska. De productie per put daalt snel, waardoor voortdurend nieuwe investeringen nodig zijn om het niveau op peil te houden. Dat betekent ook: meer energie-input.

De EROI van schalie is structureel lager dan die van conventionele olie uit het verleden. Dat betekent dat een groter deel van de economische activiteit moet worden ingezet om energie te winnen. Netto blijft er minder over voor andere sectoren.

Zolang de Verenigde Staten over omvangrijke binnenlandse reserves beschikken, blijft hun energiezekerheid relatief groot. Ze zijn netto-exporteur van energie en minder afhankelijk van geopolitiek instabiele regio’s. Maar het tijdperk van extreem hoge netto-energie – de periode waarin één vat geïnvesteerde energie tientallen vaten opleverde – ligt óók achter hen.

De vraag is niet of de VS energie hebben. De vraag is hoeveel netto-energie hun economie in de toekomst kan blijven dragen.

Europa: kwetsbaarheid als uitgangspunt

Voor Europa ligt de situatie fundamenteel anders. De Europese Unie importeert meer dan de helft van haar primaire energie. De eigen olie- en gasproductie, onder meer uit de Noordzee, is sterk teruggelopen en kent eveneens dalende EROI-waarden door uitputting.

Voor een importerende regio heeft een dalende mondiale EROI directe gevolgen. Als producerende landen steeds meer energie moeten investeren om dezelfde hoeveelheid olie of gas te winnen, stijgen de kosten. Dat vertaalt zich in hogere prijzen en grotere geopolitieke afhankelijkheid.

De energiecrisis na de Russische inval in Oekraïne (2022) maakte dat pijnlijk zichtbaar. Plotseling werd duidelijk hoe kwetsbaar een geïndustrialiseerde economie is wanneer een belangrijk deel van de energie-import wegvalt.

Europa heeft daarop ingezet op versnelling van hernieuwbare energie, energiebesparing en diversificatie van leveranciers. Niet alleen vanuit klimaatbeleid, maar ook vanuit strategische noodzaak.

Hernieuwbaar als netto-energiebron

Vanuit EROI-perspectief hebben wind- en zonne-energie een bijzonder kenmerk: ze kennen geen brandstofuitputting. De energie-input zit vooral in productie, plaatsing en onderhoud. Daarna leveren ze gedurende twintig tot dertig jaar stroom zonder brandstofkosten.

Windenergie op land kan EROI-waarden bereiken van 20:1 of hoger; offshore ligt dat iets lager, maar nog altijd ruim boven de minimale maatschappelijke drempel. Zonne-energie varieert per regio, maar zit vaak boven de 10:1.

Critici wijzen erop dat opslag, netverzwaring en backup-capaciteit de systeem-EROI drukken. Dat klopt. Maar zelfs inclusief deze factoren blijven veel hernieuwbare systemen boven de kritische grens van 7-10:1.

Voor Europa betekent dat: hernieuwbare energie is niet alleen klimaatbeleid, maar ook een manier om stabiele binnenlandse netto-energie te creëren en importafhankelijkheid te verminderen.

Twee modellen, één uitdaging

De Verenigde Staten en Europa volgen dan ook verschillende routes. Zo kiezen de VS voor maximale benutting van binnenlandse fossiele bronnen, aangevuld met groeiende hernieuwbare capaciteit. Hun voordeel is zowel schaal als grondstoffenrijkdom. Hun uitdaging is dalende EROI binnen de fossiele sector.

Europa kiest daarentegen noodgedwongen voor versnelling van de energietransitie. Het voordeel is een groot potentieel voor wind en zon. De uitdaging is snelheid, infrastructuur en politieke consistentie.

In beide gevallen draait het uiteindelijk om dezelfde vraag: hoeveel netto-energie blijft beschikbaar voor economische groei, innovatie en geopolitieke stabiliteit?

“Drill Baby Drill” suggereert dat energie vooral een kwestie is van politieke wil. EROI laat zien dat de werkelijkheid een andere is. Energie is geen ideologie, maar een verhouding. En die verhouding wordt, naarmate de makkelijkste bronnen verdwijnen, steeds bepalender.

Wie in de komende decennia beschikt over het meest robuuste systeem met een hoge netto-energieopbrengst, zal economisch en geopolitiek het sterkst staan. Dat is de werkelijke inzet van het debat – aan beide zijden van de Atlantische Oceaan.