Afbeelding
AI-Raad komt bijeen in het Witte Huis. AI-geproduceerd beeld, geplaatst op Linkedin.
AI-Raad komt bijeen in het Witte Huis. AI-geproduceerd beeld, geplaatst op Linkedin.
De Florentijnse stadstaat lijkt terug. Alleen ligt het machtscentrum ditmaal niet aan de Arno, maar aan de Potomac in Washington. En waar in het vijftiende-eeuwse Florence bankiers en financiers als De’ Medici de toon zetten, zijn het nu de tech-miljardairs die aanschuiven aan de tafel van de macht.
Cosimo De’ Medici en later Lorenzo De’ Medici droegen geen kroon en bekleedden geen koninklijk ambt. Toch konden zij de koers van Florence in hoge mate beïnvloeden. Hun macht rustte namelijk op een combinatie van rijkdom, zakelijke netwerken, familiebanden, patronage en toegang tot het bestuur.
Ook de nieuwe tech- en AI-bedrijven ontlenen hun invloed niet aan een gekozen functie, maar aan kapitaal, technologie, infrastructuur en directe toegang tot politieke leiders. Dat zij in het Witte Huis meepraten over de toekomst van kunstmatige intelligentie, maakt duidelijk waar de macht zich in deze eenentwintigste eeuw concentreert.
Zo vond eind september een overleg plaats dat georganiseerd was door president Trump. Het centrale thema: hoe kan de ontwikkeling van krachtige AI-systemen worden voortgezet, zonder dat strenge, nieuwe overheidsregulering nodig is?
De aanwezige techbedrijven tekenden daarom een overeenkomst, waarin zij zich committeren aan interne veiligheidscontroles, externe audits en toezicht op bestuursniveau. Dat komt neer op een aanpak, die vooral gebaseerd lijkt te zijn op zelfregulering en het accent zal leggen op innovatie, publieke veiligheid en behoud van de Amerikaanse voorsprong in de wereldwijde AI-wedloop, aldus persbureau Reuters.
Aan tafel in het Witte Huis zaten vertegenwoordigers van OpenAI, Anthropic, Google, Meta, Nvidia en Palantir. Zij stemden in met een vrijwillig veiligheidsakkoord, waarbij de verantwoordelijkheid voor AI-risico’s nadrukkelijk op het niveau van de raad van bestuur wordt belegd. President Trump zei dat de overeenkomst een “moreel bindend” karakter heeft. Voor zover bekend is er geen sprake van mechanismen van afdwinging of wettelijke sancties.
Het grotere thema van het akkoord is breder dan alleen veiligheid: het Witte Huis koppelt het expliciet aan wat het een Amerikaanse Era of Super Intelligence noemt. Daarin ligt het accent op een verdere opschaling van AI-infrastructuur en datacenters, en behoud van het technologisch leiderschap van de VS. Daarnaast wordt gewerkt aan de lancering van een federale AI-taskforce, die zich zal richten op beleid rond geavanceerde AI, innovatie en risico’s.
Dat niet gekozen is voor een zwaar wettelijk regime van regulering, is koren op de molen van de techmiljardairs. Zij staan namelijk vijandig
tegenover de almacht van de staat. Zij pleiten al langere tijd voor nieuwe politieke en economische ruimtes, als vervanging van de centrale overheid. Die opvatting is terug te vinden in het essay The Education of a Libertarian van 2009. Auteur daarvan is Peter Thiel (foto), mede-oprichter van Pay-Pal en Palantir, en beschermheilige van vice-president J.D. Vance.
Thiel schreef in dat essay dat hij niet langer gelooft in “freedom and democracy”. Hij vindt niet dat de libertariërs moeten proberen de politiek te winnen, maar juist dat zij moeten proberen eraan te ontsnappen. In dat kader noemde hij drie technologische uitdagingen, waaronder cyberspace en nieuwe vormen van territorialiteit.
Zo denkt hij aan zogenoemde “seasteading”. Dat zijn autonome gemeenschappen op zee waar nieuwe bestuursvormen kunnen worden ontwikkeld. Thiel is positief over dergelijke “micro-states”, omdat ze regelgeving zouden kunnen omzeilen die volgens hem de technologische vooruitgang belemmert.
Inmiddels gaan de ideeën meer in de richting van “startup cities”, “network states” en “freedom cities”. Dat zijn kleine, sterk technologisch georganiseerde jurisdicties met relatief grote autonomie en weinig regelgeving.
Het is op dit vlak dat de vergelijking met de Florentijnse stadstaat manifest wordt. Zij concurreerde in de 15e eeuw met concurrerende stadsstaten als Venetië en Milaan. Dat vond plaats op het gebied van kapitaal, handel en technologie, wat zich door vertaalde naar politieke macht.
De visie van Silicon Valley wijkt hier niet wezenlijk van af: startup cities en de netwerk-staat kennen zowel autonome jurisdictie als politieke macht - dankzij hun impact op digitaal kapitaal, AI en infrastructuur. In beide historische voorbeelden ligt het accent niet op een groot gecentraliseerd territoriaal rijk, maar op rijke stedelijke knooppunten, handelsnetwerken en machtige particuliere elites.
Kregen De’ Medici in Florence via kapitaal, netwerken en patronage buitengewone invloed binnen de republikeinse instituties, in onze 21e eeuw is de vraag is of grote techbedrijven iets vergelijkbaars kunnen verwezenlijken: geen staten in juridische zin, maar machtscentra met kapitaal, infrastructuur, kennis en toenemende invloed op bestuur. Het gaat Peter Thiel en zijn libertariërs er niet om de natiestaat te hervormen, maar om nieuwe machtscentra te bouwen.
Het denken van Thiel buiten de centrale staat kan in de publieke opinie rekenen op veel kritiek. Eén van hen is Nobelprijs-winnaar Daron Acemoğlu (foto). Hij hekelt in een podcast het technologische fatalisme waarvan in de Verenigde Staten, maar ook elders in het Westen, sprake is. De opkomst van AI en andere technologieën is geen natuurverschijnsel, maar was het resultaat van keuzes over wie technologie ontwikkelt, waarvoor ze wordt ingezet en wie de opbrengsten krijgt.
Volgens Acemoğlu hebben beleidsmakers de afgelopen decennia te gemakkelijk geaccepteerd dat digitalisering en automatisering ongelijkheid vergroten en arbeid verzwakken. Hij spreekt van politieke nalatigheid: als technologie vooral arbeid vervangt, productiviteit verhoogt zonder lonen mee te laten stijgen en macht concentreert bij kapitaalbezitters en grote bedrijven, dan is dat niet per definitie onvermijdelijk, maar uitdrukking van discutabel en zelfs laakbaar beleid.
Zo komt hij tot zijn diagnose van de actuele crisis van de liberale democratie. De belofte was lange tijd dat economische groei tot gedeelde welvaart zou leiden. Maar in de postindustriële economie is dat mechanisme volgens Acemoğlu juist ernstig verzwakt: automatisering, digitale technologie en AI kunnen bedrijven laten groeien zonder dat ze veel meer werknemers nodig hebben.
Tegelijkertijd zijn hoogopgeleide groepen economisch en sociaal steeds verder van de werkende klasse komen te staan. Acemoğlu ziet beide ontwikkelingen als onderdeel van dezelfde politieke crisis.
Cruciaal in zijn maatschappijkritiek is het onderscheid dat hogere lonen uiteindelijk hogere productiviteit vereisen, maar dat hogere productiviteit daarentegen géén hogere lonen garandeert.
Daarom wil Acemoğlu dat de economische macht van zeer grote technologiebedrijven wordt begrensd. Dat kan volgens hem via sterker mededingingsbeleid, arbeid fiscaal minder zwaar belasten ten opzichte van kapitaal en vermogen, en technologiebeleid bewust zo sturen dat kunstmatige intelligentie mensen productiever maakt in plaats van dat het primair banen elimineert. Kortom: “Tax wealth and break up big tech.”
Dat brengt hem bij het begrip “working-class liberalism”. De Nobelprijswinnaar wil het liberalisme niet afschaffen, maar opnieuw verbinden met zijn oorspronkelijke belofte: brede welvaart, politieke invloed voor gewone burgers en bescherming tegen buitensporige concentraties van macht. In zijn recente werk stelt hij dat de liberale democratie zich niet aan die belofte heeft gehouden. Het verzwakte doordat een hoogopgeleide elite economisch en cultureel steeds dominanter werd en de verbinding met bredere groepen in de maatschappij heeft verloren.
Tegen die achtergrond nemen Acemoğlu en Thiel vrijwel tegenovergestelde standpunten in. Zo ziet Thiel de traditionele democratische staat juist als een beperking voor technologische en ondernemende vrijheid - reden waarom hij ruimte zoekt voor alternatieve instituties, autonome zones en nieuwe machtscentra.
Acemoğlu kijkt naar dezelfde concentratie van technologische macht en trekt daaruit de conclusie dat democratische instituties sterk genoeg moeten zijn om die macht te begrenzen. Tevens moeten deze instituties de richting van de technologie bepalen. Thiel vindt daarentegen dat technologie en kapitaal zich (gedeeltelijk) juist moeten kunnen onttrekken aan de bestaande politieke orde.
Dat maakt de historische vergelijking met Florence en De’ Medici zo interessant. Vanuit Thiel bezien is de rijke, technologisch geavanceerde stadstaat aantrekkelijk en moedigt hij zelfs de ontwikkeling van concurrerende machtscentra met grote autonomie aan. Acemoğlu’s institutionele analyse stelt daar een andere positionering tegenover: wie controleert binnen zo’n systeem De’ Medici? Is dat de groep van machtige kapitaal- en technologiebedrijven zelf, of is dat de samenleving als geheel via haar democratische instituties?
Noot: De foto’s van Pieter Thiel en Daron Acemoğlu zijn afkomstig van open source WikiCommons. Van het dragende beeld, dat gemaakt is met AI, is de bron onbekend.
Wil je op de hoogte blijven van nieuwe analyses en opiniestukken, podcasts en boekentips? Schrijf je dan in voor de tweewekelijkse nieuwsbrief.