Afbeelding
President Donald Trump spreekt bij het Donald J. Trump - John F. Kennedy Center. Foto: Witte Huis.
President Donald Trump spreekt bij het Donald J. Trump - John F. Kennedy Center. Foto: Witte Huis.
In het kort:
Lang is gedacht dat handel barbaars gedrag zou kunnen polijsten. Inmiddels weten we beter. Ook de derde globaliseringsgolf in de moderne geschiedenis lijkt te eindigen zoals de vorige twee: met protectionisme, geopolitieke rivaliteit en conflicten.
‘Handel verzacht en polijst barbaars gedrag’, schreef Montesquieu in 1748 in De l’esprit des lois. Volgens de Franse verlichtingsfilosoof was handel een medicijn tegen de meest destructieve vooroordelen. Met die gedachte sloot hij aan bij een bredere intellectuele zoektocht naar alternatieven voor de cultuur van eer die de renaissancemens kenmerkte.
Die eerzucht had twee gezichten. Soms leidde zij tot culturele hoogtepunten in kunst, literatuur en wetenschap. Maar even vaak mondde zij uit in een explosie van passies – macht, glorie en prestige – die eindigde in geweld en vernietiging.
Niccolò Machiavelli had eerder al een belangrijke verschuiving ingezet door het staatsbelang centraal te stellen. Daardoor werd het mogelijk een onderscheid te maken tussen persoonlijk belang en algemeen belang. In de achttiende eeuw groeide vervolgens het inzicht dat commercie een ‘rustige passie’ kon zijn. Economische activiteit hoefde niet langer moreel verdacht te zijn; zij kon juist stabiliteit brengen.
Zo ontstond het fundament van het marktkapitalisme: een economisch systeem gebaseerd op transacties. Individuen handelen vanuit hun eigenbelang, maar de optelsom van al die keuzes vergroot de productie en daarmee de welvaart. Dit mechanisme werd later – dankzij Adam Smith – bekend als de ‘onzichtbare hand’.
Handel betekende in de praktijk dat er voortdurend transacties plaatsvonden tussen mensen die elkaar niet kenden. Juist dat stimuleerde nieuwe sociale normen. Samenwerking werd gemakkelijker wanneer vreemden elkaar konden vertrouwen.
Het voedde het besef dat mensen deel uitmaken van een grotere gemeenschap. Dat versterkte universalisme en vergrootte de tolerantie voor verschillen. Maatschappelijk vertrouwen kon zich ontwikkelen – meestal in de vorm van vertrouwen totdat het tegendeel bewezen werd.
De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden vormt een klassiek voorbeeld. De handelsnatie van de zeventiende eeuw combineerde ondernemerschap met een sterke religieuze moraal. Kooplieden lieten zich niet alleen leiden door winst, maar koppelden economische activiteit aan christelijke naastenliefde.
Historicus Simon Schama beschreef dit spanningsveld als een uitruil tussen overvloed en onbehagen. Rijkdom bracht welvaart, maar ook morele verantwoordelijkheid. Men wist immers dat Gods oog op hen gericht was.
Ook in de moderne tijd bleef de gedachte invloedrijk dat handel vrede bevordert. In de jaren negentig van de vorige eeuw werd het liberalisme zelfs het dominante mondiale narratief. Productie en dienstverlening werden wereldwijd georganiseerd: waar de omstandigheden het gunstigst waren, daar vond economische activiteit plaats.
Onderzoek laat zien dat markten inderdaad culturele effecten hebben. Economische interactie maakt mensen meer outward looking. Markten vergroten vaak tolerantie en versterken vertrouwen in onbekenden.
Maar globalisering heeft ook een keerzijde, zo blijkt uit een studie. Naarmate markten groeien, verzwakken soms de traditionele netwerken van familie en gemeenschap. Juist groepen die afhankelijk zijn van informele zorg – ouderen, wezen en mensen met een beperking – kunnen daar de prijs voor betalen. In de Verenigde Staten leven inmiddels meer dan veertig miljoen mensen onder de armoedegrens.
Tegen deze achtergrond ontstond in 2016 de politieke beweging rond Donald Trump met de slogan Make America Great Again. De Verenigde Staten, sinds 1945 de dominante wereldmacht, ervaren dat globalisering hun economische positie heeft veranderd.
In verschillende industriële sectoren hebben andere landen de leiding overgenomen. Ook voor cruciale grondstoffen, zoals kritische mineralen en zeldzame aardmetalen, is het land kwetsbaar geworden.
Trump probeert het tij te keren met een strategie die historisch bekendstaat als een zero-sum game: wat de een wint, verliest de ander. Ironisch genoeg was het precies deze logica die in de zeventiende eeuw het einde inluidde van de Nederlandse handelshegemonie. Toen de Republiek ongeveer veertig procent van de wereldhandel controleerde, accepteerde Engeland dat niet langer.
Voordat de rivaliteit uitmondde in een reeks zeeoorlogen, werd eerst een intellectuele rechtvaardiging ontwikkeld: het mercantilisme. De Engelse koopman en econoom Thomas Mun verwoordde deze visie in zijn invloedrijke werk England’s Treasure by Forraign Trade. Zijn stelling was dat de staat de nationale economie actief moest sturen om de politieke macht van het land te vergroten ten koste van rivalen. De Engelse generaal George Monck formuleerde het nog directer: Engeland wilde simpelweg meer van de handel die in Nederlandse handen was.
Historisch gezien volgen globaliseringsgolven vaak hetzelfde patroon. In het begin brengen zij expansie, welvaart en intensieve internationale samenwerking. Maar na verloop van tijd ontstaan spanningen, omdat economische machtsverschuivingen ook geopolitieke rivaliteit veroorzaken.
De eerste globaliseringsgolf eindigde met de oorlogen tussen Engeland en de Nederlandse Republiek. De tweede golf, die in de negentiende eeuw begon, eindigde uiteindelijk in de twee wereldoorlogen van de twintigste eeuw. Vandaag bevinden we ons in een derde globaliseringsgolf – en opnieuw staat vrijhandel ter discussie.
In de huidige geopolitieke rivaliteit lijkt China de belangrijkste uitdager van de Verenigde Staten. De retoriek klinkt bekend: andere landen zouden te veel profiteren van het internationale handelssysteem.
Tegelijkertijd is het voor Washington moeilijk om werkelijk hard op te treden. China controleert een groot deel van de mondiale toeleveringsketens van kritische grondstoffen, waaronder zeldzame aardmetalen die essentieel zijn voor moderne technologie en de energietransitie.
Bovendien heeft China zich ontwikkeld tot de grootste productie-economie ter wereld, met een enorme industriële capaciteit en een hoge toegevoegde waarde.
China lijkt zich daarom relatief onverstoorbaar in de coulissen van de wereldpolitiek op te houden, terwijl het toekijkt hoe de Verenigde Staten van president Trump worstelen met interne verdeeldheid en met de oude passies van macht, glorie en eer.
De geschiedenis suggereert dat globalisering niet alleen welvaart creëert, maar ook de voorwaarden schept voor machtsverschuivingen tussen staten. En juist die verschuivingen brengen het systeem uiteindelijk uit balans.
Als dat patroon zich opnieuw herhaalt, beleven we niet het einde van globalisering – maar het einde van een hegemonie. En in dat historische spel lijkt China voorlopig de tijd aan zijn zijde te hebben.
Dit artikel is gedeeltelijk gebaseerd op het boek Tot hier en nu verder, Nederland op de drempel van een nieuwe tijd (2018), dat indertijd lovende reacties kreeg: zie de website.
Wil je op de hoogte blijven van nieuwe analyses en opiniestukken, podcasts en boekentips? Schrijf je dan in voor de tweewekelijkse nieuwsbrief.